De dag van Anita

‘Eén verkeerde vraag en de patiënt zette drie stappen terug. Toch waren we trots op elke stap vooruit.’

“Ik zal nooit vergeten hoe die dag een 17-jarige jongen bij ons binnenkwam. Een pony tot aan zijn neus met daarboven een zwart met rood petje en in zijn handen een doosje met kleren en wat persoonlijke spullen. Sommige jongens van 17 zijn mannen, hij was dat niet. Hij had het uiterlijk van een 14-jarige jongen, was schuw en afstandelijk. Van zijn ogen zagen we de eerste maanden weinig.

Deze jongen had een ernstig feit gepleegd en was daarvoor veroordeeld volgens het volwassenstrafrecht; volgens de rechter hoorde bij een volwassen daad een volwassen straf. Maar ik heb dat nooit begrepen. Het was een volwassen daad, maar gepleegd door een ernstig beschadigd kind.

De weg met hem was moeizaam. Hij was heel erg wantrouwend en had in het begin met niemand contact, niet met medepatiënten en niet met medewerkers. Het team en de behandelaren hadden verschillende visies over hoe we daarmee moesten omgaan. Normaal gesproken willen we niet dat een patiënt zich vastklampt aan één of een paar personen, maar in dit geval waren we blij als hij überhaupt contact maakte.

Ook door zijn gedrag ontstonden discussies. Hij was agressief, duwde ons van zich af, was achterdochtig – en ook wij waren achterdochtig. Er was vooral strijd met hem over de afdelingsregels, zoals dat patiënten geen pet mogen dragen aan tafel of in de woonkamer. Omdat het lastig was om contact met hem te maken, was het ook moeilijk om hem op dit soort dingen aan te spreken.

‘Deze patiënt had een ernstig feit gepleegd. Een volwassen daad, gepleegd door een beschadigd kind.’

Anita

Sommige collega’s ergerden zich zo aan hem dat ze er klaar mee waren, anderen wilden hier met hem aan werken. Er waren periodes dat we het opgaven, en er dan na een paar vrije dagen toch weer voor gingen. Iedereen wilde het beste voor hem, maar daarvoor moesten we ver gaan.

Maar het doorzetten loonde. Langzaamaan konden we stappen zetten. Hij begon te praten, kreeg langzaam vertrouwen in een aantal collega’s en ging gemotiveerd naar therapie. We konden zelfs grapjes met hem maken. Ik herinner me nog dat we hem eens goed te pakken hadden op 1 april en daar met elkaar hard om konden lachen. Ik realiseerde me heel goed dat dit aan het begin van zijn behandeling nooit had gekund.

Maar het was heel broos. Eén verkeerde vraag of opmerking en hij zette drie stappen terug. Dat kon al iets zijn als dat iemand die hij niet vertrouwde hem erop aansprak dat hij een pet op had. Ook met de mensen die hij wel vertrouwde, viel het contact dan weer even helemaal weg. Maar hoe moeizaam het proces ook was, we waren trots op elke stap. Op hem, maar ook op het team dat er ondanks alle uitdagingen steeds weer voor ging.

Uiteindelijk is hij buiten de kliniek gaan wonen. Hij kreeg ambulante begeleiding en ging studeren. Ik denk nog vaak aan hem, bijvoorbeeld als ik knoflook schoonmaak: hij leerde mij hoe je dit het best kunt doen. Dan denk ik terug aan het beschadigde kind dat bij ons binnenkwam en de stappen die hij – mede door de volharding van het team – toch heeft kunnen zetten.”

Klik hier om meer onvergetelijke dagen van collega’s te lezen.

Lees ook


Werken bij | Collega's aan het woord

De dag van Marc

Werken bij | Collega's aan het woord

De dag van Katja